SPELLING 1 JUNI :

Het is een eindtoets, dus het kan gaan over alles wat je reeds zag dit jaar.
Dat lijkt veel, maar geen paniek, veel doe je al automatisch zonder na te denken.
Eens koekeloeren in je "loepje" kan helpen.
Deze lijst zegt wat er zal gevraagd worden, als je die eens overloopt met je loepje erbij zal je zien dat je al heel veel weet.
1.woorden met spr, str, sch, schr …vooraan.
2.woorden schrijven met ng en nk.
3. woorden met meertekenklanken schrijven. (vb eu, oo, ....)
4.afleidingen schrijven van woorden op d en t.
5.samenstellingen schrijven van woorden op d en t.
6. moeilijke woorden op d schrijven die niet of moeilijk langer te maken zijn.
7. woorden met voor- en achtervoegsels
8. woorden met open en gesloten lettergrepen
9.de kattenafspraak toepassen op woorden met twee of meer delen.
10.de berenafspraak toepassen op woorden met twee of meer delen.
11.woorden schrijven met g.
12.woorden schrijven met ch.
13. woorden schrijven met cht.
14.een persoonsvorm op gt schrijven. ( stam +t )
15.woorden met ei en ij
16.woorden met au, ou, auw en ouw
17.woorden met au(w) en ou(w) schrijven.
18.meervouden
19.bij het schrijven van het meervoud de katten- en berenafspraak toepassen.
20.het meervoud schrijven van woorden op a, o, u, i, ie, ee en é.
21 de apostrof gebruiken bij het schrijven van meervouden.
22. het trema gebruiken bij het schrijven van meervouden.
23 afwijkende meervoudsvormen zoals musea.
24. het verkleinwoord schrijven van woorden op a, o, u, i, ie, ee, oe en é.
25.het verkleinwoord schrijven van woorden op ine.
26. enkele afwijkende verkleinwoorden zoals glaasje en jongetje.
27. een hoofdletter bij het eerste woord van een zin, bij namen en adressen, bij talen, bij wat heilig is, bij feestdagen en bij aardrijkskundige namen.
28. weten wanneer je welk leesteken moet schrijven in een zin.
29. woorden met een apostrof schrijven.
30. woorden met een koppelteken schrijven.
31. woorden met een trema schrijven.
32.de persoonsvorm schrijven in de tegenwoordige tijd.
33.de persoonsvorm schrijven in de verleden tijd van werkwoorden met klankverandering.
34 de persoonsvorm schrijven in de verleden tijd van werkwoorden zonder klankverandering.
‘ik heb’- of ‘ik ben’-vorm van werkwoorden schrijven.
35.woorden als banaan schrijven
36.woorden op sie, tie en zie schrijven.
37.woorden op ik, is, or en um schrijven.
38. woorden met wr schrijven.
39. woorden op b schrijven.
40.woorden met th schrijven.
41.moeilijke woorden schrijven uit ‘Een koningin op avontuur’.
42.woorden met c als k schrijven.
43.woorden met c als s schrijven.
44.stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden schrijven.
45.woorden schrijven met een j of w die je hoort, maar niet schrijft. woorden met i als ie schrijven
.
Tip van de dag :
Onmiddellijk leerde ze op school Nederlands.
Ze verraste haar ouders.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten